Gebruiker:   Wachtwoord:
Snel en betaalbaar voldoen aan de privacywetgeving

Wet politieregisters

Wet van 21 juni 1990, houdende regels ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer in verband met politieregisters, Gepubliceerd in het Staatsblad 1990, 414.

Wij Beatrix, bij de gratie Gods, Koningin der Nederlanden, Prinses van Oranje-Nassau, enz. enz. enz.

Allen, die deze zullen zien of horen lezen, saluut! doen te weten:
Alzo Wij in overweging genomen hebben, dat ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot politieregisters uitvoering dient te worden gegeven aan artikel 10, tweede en derde lid, van de Grondwet;
Zo is het, dat Wij, de Raad van State gehoord, en met gemeen overleg der Staten-Generaal, hebben goedgevonden en verstaan, gelijk Wij goedvinden en verstaan bij deze:

Paragraaf 1. Inleidende bepalingen
Artikel 1
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
a. Onze Ministers: Onze Ministers van Justitie en van Binnenlandse Zaken gezamenlijk;
b. politietaak: de taak van de politie, omschreven in artikel 2 van de Politiewet 1993;
c. politieregisters of register: een persoonsregistratie als bedoeld in de Wet persoonsregistraties (Stb. 1988, 665), aangelegd ten dienste van de uitvoering van de politietaak;
d. koppeling: het treffen van technische of organisatorische voorzieningen, waardoor verschillende verzamelingen van persoonsgegevens systematisch met elkaar kunnen worden vergeleken;
e. antecedenten: bij algemene maatregel van bestuur te omschrijven persoonsgegevens betreffende de toepassing van het strafrecht of de strafvordering;
f. beheerder met betrekking tot een register:
- 1 . bij een regionaal politiekorps: de ingevolge de Politiewet als korpsbeheerder aangewezen burgemeester;
- 2 . bij het Korps landelijke politiediensten: Onze Minister van Justitie;
- 3 . bij de bijzondere ambtenaren van politie, bedoeld in artikel 43 van de Politiewet 1993: Onze Minister van Justitie;
- 4 . bij de Koninklijke marechaussee: Onze Minister van Defensie;
- 5 . gemeenschappelijk aan twee of meer politiekorpsen: de beheerder van het politiekorps die is belast met de feitelijke zorg voor het goed functioneren van dat register;
- 6 . mede gemeenschappelijk aan de Koninklijke marechaussee: het door Onze Ministers in overeenstemming met Onze Minister van Defensie aan te wijzen gezag;
g. reglement: het reglement, bedoeld in artikel 9;
h. verstrekken van gegevens uit een politieregister: het bekend maken of ter beschikking stellen van persoonsgegevens, voor zover zulks geheel of grotendeels steunt op gegevens die in dat politieregister zijn opgenomen, of die door verwerking daarvan, al dan niet in verband met andere gegevens, zijn verkregen;
i. persoonsgegeven en Registratiekamer of Kamer: hetgeen daaronder wordt verstaan in de Wet persoonsregistraties.

Artikel 2
Deze wet is niet van toepassing op verzamelingen van persoonsgegevens die naar hun aard voor persoonlijk gebruik bestemd zijn.

Artikel 3
Voordrachten tot een algemene maatregel van bestuur krachtens deze wet worden gedaan door Onze Ministers.

Paragraaf 2. Algemene bepalingen
Artikel 4
1. Het aanleggen van een politieregister vindt slechts plaats voor een bepaald doel en voor zover dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak.
2. Het bevat slechts persoonsgegevens die rechtmatig zijn verkregen en die noodzakelijk zijn voor het doel waarvoor het is aangelegd.
3. De beheerder treft de nodige voorzieningen ter bevordering van de juistheid en de volledigheid van de opgenomen persoonsgegevens.

Artikel 5
1. Registratie van personen wegens hun godsdienst of levensovertuiging, ras, politieke gezindheid, seksualiteit, intiem levensgedrag, of op grond van medische of psychologische kenmerken, vindt niet plaats.
2. Opneming in een register van persoonsgegevens die betrekking hebben op de in het eerste lid genoemde kenmerken, vindt slechts plaats in aanvulling op andere persoonsgegevens en voor zover dit voor het doel van het register onvermijdelijk is. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen daaromtrent nadere regels worden gesteld.
3. Over bepalingen in een reglement omtrent de opneming van persoonsgegevens bedoeld in het tweede lid, wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.

Artikel 6
1. Een politieregister kan slechts worden gekoppeld met een ander politieregister of met een andere verzameling van persoonsgegevens indien dit noodzakelijk is voor een goede uitvoering van de politietaak.
2. Een koppeling als bedoeld in het eerste lid, vindt slechts plaats overeenkomstig het voor het register geldende reglement. Over bepalingen in een reglement omtrent koppeling wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.
3. Bij algemene maatregel van bestuur worden omtrent koppeling nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer.
4. Onze Minister van Justitie kan in bijzondere gevallen toestemming geven tot een koppeling, in afwijking van het bepaalde krachtens het tweede en derde lid, indien dit noodzakelijk is voor de opsporing van een misdrijf waardoor de rechtsorde ernstig is geschokt. Aan de toestemming kunnen beperkingen en voorschriften worden verbonden. De Registratiekamer wordt hierover zo mogelijk vooraf gehoord. De toestemming wordt in ieder geval zo spoedig mogelijk aan de Registratiekamer medegedeeld.

Artikel 7
1. De beheerder draagt zorg voor de juiste werking van het register. Aan hem worden alle inlichtingen verstrekt die hij voor dit doel nodig heeft.
2. Hij draagt zorg voor de nodige voorzieningen van technische en organisatorische aard ter beveiliging van het register tegen verlies of aantasting van de gegevens en tegen onbevoegde kennisneming, wijziging of verstrekking daarvan. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent gevallen waarin het in het kader van technische werkzaamheden noodzakelijk is van gegevens kennis te nemen.

Artikel 8
De artikelen 9 en 10 van de Wet persoonsregistraties zijn van overeenkomstige toepassing met dien verstande dat de beheerder voor de toepassing van deze artikelen wordt aangemerkt als de houder.

Paragraaf 3. Het reglement
Artikel 9
1. De beheerder van een politieregister stelt voor het register een reglement vast.
2. De vaststelling geschiedt na overleg met het gezag dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de politietaak ten dienste waarvan het register wordt aangelegd.
3. Het reglement wordt bekendgemaakt en voor een ieder ter inzage gelegd overeenkomstig regels bij algemene maatregel van bestuur te stellen.
4. De beheerder zendt een exemplaar van het reglement aan de Registratiekamer.
5. Het register wordt niet in werking gesteld dan nadat aan het eerste tot en met vierde lid is voldaan.
6. Het tweede tot en met vijfde lid is van overeenkomstige toepassing bij wijziging of intrekking van het reglement.

Artikel 10
1. In het reglement moet de werking van het register zijn beschreven.
2. Het reglement bevat ten minste een duidelijke regeling van de volgende onderwerpen:
- a. het doel van het register;
- b. de categorieŽn van personen over wie gegevens worden opgenomen, en de soorten van de over hen op te nemen gegevens;
- c. de gevallen waarin opgenomen gegevens worden verwijderd;
- d. de vernietiging, zodra dit mogelijk is, van verwijderde gegevens;
- e. eventuele verbanden tussen het register en enige andere gegevensverzameling;
- f. de wijze waarop geregistreerde personen of hun wettelijke vertegenwoordigers kennisneming en verbetering van de over hen opgenomen gegevens kunnen verkrijgen;
- g. de bevoegdheid tot het invoeren en wijzigen van gegevens in, alsmede het verwijderen van gegevens uit het register;
- h. de aanwijzing van degene, onder verantwoordelijkheid van de beheerder belast met de zeggenschap over het register, en de omschrijving van de daaruit voortvloeiende bevoegdheden;
- i. de aanwijzing van degene of degenen, belast met de dagelijkse leiding van het register.
3. Indien het reglement een politieregister betreft als bedoeld in artikel 1, onder f, sub 4 of sub 5, wordt in het reglement tevens vermeld wie beheerder van dat register is.
4. Het reglement regelt de verstrekking van gegevens uit het register, daaronder begrepen de rechtstreekse toegang met het oog op raadpleging van persoonsgegevens, met inachtneming van het bij of krachtens de artikelen 14 tot en met 19 en 27 bepaalde.

Artikel 11
De beheerder en al degenen die verder bij de werking van het register zijn betrokken, zijn verplicht het reglement dat voor het register geldt, na te leven.

Artikel 12
1. Degene die een model van een reglement heeft vastgesteld, kan de Registratiekamer verzoeken te verklaren dat het model naar haar oordeel in overeenstemming is met het bepaalde bij of krachtens deze wet. Indien de Kamer een zodanige verklaring afgeeft, wordt het model in de Staatscourant geplaatst.
2. Bij vaststelling van een reglement overeenkomstig een model ten aanzien waarvan is voldaan aan het gestelde in het eerste lid, zijn de artikelen 5, derde lid, 6, tweede lid, tweede volzin, 9, vierde lid, en 21, derde lid, tweede volzin, niet van toepassing. De beheerder deelt aan de Kamer mede overeenkomstig welk model het reglement is vastgesteld.

Artikel 13
1. Op registers van tijdelijke aard die zijn aangelegd met het oog op de uitvoering van de politietaak in een bepaald geval, zijn de artikelen 6, tweede lid, en 9, eerste lid, niet van toepassing gedurende een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen termijn.
2. Na afloop van deze termijn is artikel 9, vijfde lid, van overeenkomstige toepassing.
3. De beheerder stelt binnen een week nadat is begonnen met het aanleggen van een register als bedoeld in het eerste lid, de Registratiekamer daarvan in kennis, tenzij dit inmiddels is vernietigd.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld ter bescherming van de persoonlijke levenssfeer met betrekking tot registers als bedoeld in het eerste lid.

Paragraaf 4. Het verstrekken van gegevens uit een politieregister
Artikel 14
Uit een politieregister worden gegevens verstrekt aan:
a. ambtenaren van politie, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van de politietaak en zij niet zijn aangesteld voor de uitvoering van technische, administratieve en andere taken ten dienste van de politie;
b. krachtens artikel 141, onder c, van het Wetboek van Strafvordering aangewezen ambtenaren van de Koninklijke marechaussee, voor zover zij deze behoeven voor de vervulling van de hun opgedragen politietaak;
c. andere opsporingsambtenaren in dienst van een publiekrechtelijk lichaam, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij het onderzoek waarvan zij zijn betrokken;
d. andere opsporingsambtenaren dan begrepen onder a, b en c, voor zover zij deze behoeven ter opsporing van strafbare feiten bij het onderzoek waarvan zij zijn betrokken, en mits daartoe in afzonderlijke gevallen door de officier van justitie of in het algemeen door Onze Minister van Justitie voorafgaand toestemming is verleend;
e. bij of krachtens algemene maatregel van bestuur aan te wijzen andere ambtenaren dan die begrepen onder a en b, voor zover zij deze behoeven ter uitvoering van opdrachten voortvloeiende uit de signalering van personen.

Artikel 15
1. Uit een politieregister worden op hun verzoek gegevens verstrekt aan:
a. leden van het openbaar ministerie, voor zover zij deze behoeven in verband met hun gezag en zeggenschap over de politie dan wel over andere personen of instanties die met de opsporing van strafbare feiten zijn belast;
b. burgemeesters, voor zover zij deze behoeven

1 . voor de afgifte van verklaringen omtrent het gedrag of,
2 . in verband met de uitoefening van hun gezag en zeggenschap over de politie; c. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de Wet wapens en munitie (Stb. 1986, 41) of de Wet op de weerkorpsen en de particuliere beveiligingsorganisaties verleend.
2. Voorts kunnen uit een politieregister gegevens worden verstrekt voor zover dit voortvloeit uit de Wet op de inlichtingen- en veiligheidsdiensten (Stb. 1987, 635).

Artikel 16
1. Uit een politieregister worden op hun verzoek antecedenten verstrekt aan:
- a. Onze Minister van Justitie;
- b. Nederlandse rechterlijke ambtenaren, met rechtspraak belast, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak;
- c. bij algemene maatregel van bestuur aan te wijzen reclasseringswerkers en ambtenaren van de kinderbescherming, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van hun taak;
- d. korpschefs van een regionaal politiekorps, voor zover zij deze behoeven voor de uitoefening van bevoegdheden hun bij of krachtens de Vreemdelingenwet (Stb. 1965, 40) en de Jachtwet (Stb. 1954, 523) toegekend.
2. Uit een politieregister kunnen op hun verzoek antecedenten worden verstrekt aan benadeelden van strafbare feiten voor zover zij deze behoeven om in rechte voor hun belangen op te kunnen komen.

Artikel 17
Bij algemene maatregel van bestuur kan ten aanzien van bepaalde categorieŽn van gegevens de verplichting ingevolge de artikelen 14, 15, eerste lid, en 16, eerste lid, om deze gegevens te verstrekken, worden beperkt. Daarbij kan verder de bevoegdheid worden beperkt om ingevolge deze bepalingen uit een politieregister:

a. bepaalde gegevens te verstrekken of

b. aan bepaalde personen gegevens te verstrekken.

Artikel 18
1. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens uit een politieregister - hetzij door tussenkomst van Interpol, hetzij anderszins - aan politie-autoriteiten in andere landen, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan door die politie-autoriteiten.
2. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de verstrekking van gegevens uit het register van het meldpunt bedoeld in artikel 2 van de Wet melding ongebruikelijke transacties aan van overheidswege aangewezen niet-politiŽle instanties in het buitenland die een vergelijkbare taak hebben als het meldpunt, alsmede omtrent de daarbij te stellen voorwaarden aan het gebruik daarvan door die autoriteiten.
3. Bij algemene maatregel van bestuur kunnen personen of instanties met een publieke taak belast, indien het openbaar belang dit vordert, worden aangewezen aan wie in bij die algemene maatregel aan te geven gevallen gegevens uit een politieregister mogen worden of dienen te worden verstrekt. Daarbij kunnen nadere regels omtrent de verstrekking worden gesteld.
4. Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent het verstrekken van gegevens uit een politieregister ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek en statistiek, met dien verstande dat de resultaten daarvan geen persoonsgegevens mogen bevatten.
5. Onze Minister van Justitie of Onze Minister van Binnenlandse Zaken kan in bijzondere gevallen toestemming of opdracht geven tot het verstrekken van daartoe omschreven gegevens uit een politieregister. Hij doet van de desbetreffende beschikking mededeling aan de Registratiekamer.

Artikel 19
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent de voor verzoeken tot verstrekking van gegevens uit een politieregister en de verstrekking daarvan in acht te nemen procedure en de vastlegging van verstrekkingen uit het register.


Paragraaf 5. Rechten van de belanghebbende op kennisneming en verbetering
Artikel 20
1. De beheerder deelt een ieder op diens verzoek binnen vier weken mede of en zo ja welke deze persoon betreffende persoonsgegevens in een register zijn opgenomen. Hij verstrekt daarbij tevens desgevraagd inlichtingen over de herkomst van de gegevens en over degenen aan wie deze zijn verstrekt. Hij doet daarbij geen mededelingen in schriftelijke vorm.
2. De beheerder draagt zorg voor een deugdelijke vaststelling van de identiteit van de verzoeker.
3. Het verzoek, bedoeld in het eerste lid, wordt ten aanzien van minderjarigen die de leeftijd van zestien jaren nog niet hebben bereikt, en ten aanzien van onder curatele gestelden gedaan door hun wettelijke vertegenwoordigers. De betrokken mededeling geschiedt eveneens aan de wettelijke vertegenwoordigers.

Artikel 21
1. Een mededeling als bedoeld in artikel 20, eerste lid, blijft achterwege voor zover dit noodzakelijk is voor de goede uitvoering van de politietaak dan wel indien gewichtige belangen van derden daartoe noodzaken.
2. Het eerste lid is niet van toepassing op antecedenten of op persoonsgegevens die op verzoek van de geregistreerde zijn opgenomen.
3. In het reglement wordt bepaald in hoeverre toepassing wordt gegeven aan het bepaalde bij het eerste lid. Omtrent dergelijke bepalingen wordt de Registratiekamer vooraf gehoord.

Artikel 22
1. Degene aan wie overeenkomstig artikel 20 mededeling is gedaan van hem betreffende persoonsgegevens, kan de beheerder schriftelijk verzoeken deze te verbeteren, aan te vullen of te verwijderen.
2. Artikel 31 van de Wet persoonsregistraties is verder van overeenkomstige toepassing.

Artikel 23
1. Indien de beheerder niet aan een verzoek als bedoeld in de artikelen 20 of 22 voldoet, kan de betrokkene zich tot de arrondissementsrechtbank wenden met het schriftelijk verzoek, de beheerder te bevelen alsnog aan dat verzoek te voldoen.
2. Artikel 34, tweede tot en met achtste lid, van de Wet persoonsregistraties is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 24
De beheerder die in een register persoonsgegevens heeft verbeterd, aangevuld of daaruit heeft verwijderd naar aanleiding van een verzoek van een belanghebbende ingevolge artikel 22, een bevel van de rechter ingevolge artikel 23 of een daartoe strekkende aanbeveling van de Registratiekamer, is verplicht om aan hen aan wie hij naar zijn weten in het jaar voorafgaand aan het verzoek en in de sinds dat verzoek verstreken periode de betrokken gegevens heeft verstrekt, mededeling te doen van deze wijziging.

Artikel 25
1. Een verzoek ingevolge artikel 20, is slechts ontvankelijk na betaling van een kostenvergoeding. Het bedrag van de vergoeding en de wijze van betaling worden geregeld bij algemene maatregel van bestuur.
2. De vergoeding wordt teruggegeven wanneer het verzoek leidt tot verbetering, aanvulling of verwijdering van de persoonsgegevens van de betrokkene, of wanneer het verzoek moet worden geweigerd ingevolge artikel 21, eerste lid.

Paragraaf 6. Bepalingen betreffende het toezicht
Artikel 26 (6 november 1997)
1. De Registratiekamer ziet toe op de werking van de politieregisters overeenkomstig het bij en krachtens deze wet bepaalde en in het belang van de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in het algemeen.
2. Voor de behandeling en afdoening van de aangelegenheden voortvloeiend uit het eerste lid, wordt bij de Kamer een meervoudige afdeling ingesteld.
3. Met het toezicht op de naleving van het bij enig wettelijk voorschrift ten aanzien van de werking van politieregisters bepaalde, zijn belast de leden, plaatsvervangende leden en buitengewone leden van de Kamer en de ambtenaren van het secretariaat van de Kamer.

Artikel 27
De artikelen 44, 45 en 46 van de Wet persoonsregistraties zijn van overeenkomstige toepassing.

Artikel 28
De korpsbeheerders van een regionaal politiekorps, de korpschef van het Korps landelijke politiediensten en de commandant van de Koninklijke marechaussee, verstrekken de Kamer desgevraagd inlichtingen omtrent bij hun korps of wapen aangelegde andere verzamelingen van persoonsgegevens dan een politieregister. Met betrekking tot deze verzamelingen is artikel 45 van de Wet persoonsregistraties van overeenkomstige toepassing.

Paragraaf 7. Overgangs- en slotbepalingen
Artikel 29
Bevat wijzigingen in andere regelgeving.

Artikel 30
1. Een ieder die krachtens deze wet de beschikking krijgt over gegevens met betrekking tot een derde, is verplicht tot geheimhouding daarvan, behoudens voor zover een bij of krachtens deze wet gegeven voorschrift mededelingen toelaat, dan wel de uitvoering van de taak met het oog waarop de gegevens zijn verstrekt tot het ter kennis brengen daarvan noodzaakt.
2. Artikel 272, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht is niet van toepassing.

Artikel 31
1. De artikelen 1 tot en met 3 en 26 tot en met 30 van deze wet treden in werking met ingang van de dag na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst.
2. De overige artikelen van deze wet treden zes maanden later in werking.

Artikel 32
1. Het reglement voor een politieregister bestaande op het in artikel 31, tweede lid, bedoelde tijdstip, wordt binnen zes maanden na dat tijdstip vastgesteld.
2. Binnen dezelfde termijn wordt de inhoud van het register met het reglement en het bij of krachtens deze wet bepaalde in overeenstemming gebracht. Onze Ministers, de Registratiekamer gehoord, kunnen ten aanzien van het register deze termijn eenmaal met dezelfde termijn verlengen.

Artikel 33
Deze wet kan worden aangehaald als: Wet politieregisters.

Lasten en bevelen dat deze in het Staatsblad zal worden geplaatst en dat alle ministeries, autoriteiten, colleges en ambtenaren wie zulks aangaat, aan de nauwkeurige uitvoering de hand zullen houden.

Gegeven te 's-Gravenhage, 21 juni 1990

Beatrix

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Binnenlandse Zaken a.i.,
E. M. H. Hirsch Ballin

De Minister van Defensie,
A. H. ter Beek


Uitgegeven de zestiende augustus 1990

De Minister van Justitie,
E. M. H. Hirsch Ballin

© 2018 OBA Infodoc - Privacy Statement - Disclaimer
OBA Stats MKB OK
Bent u bekend met de gevolgen van de WBP?

Ja, zeer zeker
Redelijk
Matig
Neen, helemaal niet